Stadhouder
Stadhouder betekent letterlijk plaatsbekleder. Vanaf de 15e eeuw tot de Franse inval in 1795 was de stadhouder een machtige politieke functie.Formeel gesproken oefende een stadhouder het gezag uit namens de landsheer in één of meerdere gewesten. Stadhouders zaten in de Raad van State, konden de gewestelijke staten bijeen roepen en zaten het rechtscollege voor.
In de Middeleeuwen was er nog niet sprake van een eenduidige taakomschrijving. Dit verandere in de tijd van keizer Karel V. Samen met landvoogdes Maria van Hongarije kwam hij met een duidelijk pakket van taken, vooral bedoeld om de invloed van de stadhouder te beperken.
Stadhouders speelden een voorname rol bij de opstand in de Nederlanden. Na de Tachtigjarige Oorlog was de funtie van stadhouder overbodig geworden, aangezien er geen landvoogd meer was. Toch werd vaak besloten de functie van stadhouder in ere te houden (vooral als legeraanvoerder) en vaak na aandringen van de bevolking.
Na de dood van stadhouder Willem II in 1650 kende de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden het Eerste Stadhoudersloze Tijdperk. Dit duurde voort tot 1672, toen in het rampjaar weer behoefte ontstond aan een sterke leider.
In 1702 (de functie van stadhouder was inmiddels erfelijk verklaard) overleed stadhouder Willem III kinderloos. Omdat er geen opvolger was, ging de Republiek het Tweede Stadhoudersloze Tijdperk in. Aan het Tweede Stadhoudersloze Tijdperk kwam een einde toen steeds meer gewesten de Friese stadhouder erkenden. Vanaf 1747 had de Republiek voor het eerst één stadhouder. Dit duurde tot de inval van Frankrijk in 1795.
| Table of contents |
|
2 Stadhouders Friesland 3 Stadhouders van Groningen 4 Stadhouders van Drenthe 5 Stadhouders van Overijssel 6 Stadhouders van Gelderland |
Stadhouders Holland, Zeeland en Utrecht
Vanaf 1528 waren deze stadhouders ook stadhouder van Utrecht. Voor die tijd kende Utrecht geen stadhouder. Adolf van Nieuwenaar is enige jaren stadhouder van alleen Utrecht geweest.
- Hugo van Lannoy, heer van Santes 1433-1440
- Willem van Lalaing, heer van Bingincourt 1440-1445
- Gozewijn de Wilde 1445-1448
- Jan van Lannoy 1448-1462
- Lodewijk van Gruuthuse 1462-1477
- Wolfert VI van Borselen, heer van Veere 1477-1480
- Joost van Lalaing, heer van Montigny en Hantes 1480-1483
- Jan III van Egmond 1483-1515
- Hendrik III van Nassau 1515-1521
- Antoon van Lalaing, graaf van Hoogstraten 1522-1540
- René van Chalon 1540-1544
- Lodewijk van Vlaanderen, heer van Praet 1544-1546
- Maximiliaan II van Bourgondië, markies van Veere 1547-1558
- Willem van Oranje (1559-1567 (in dienst van Filips II), 1572-1584 (in dienst van de Staten-Generaal))
- Maximiliaan van Hennin, graaf van Boussu (1567 - 1573) (in dienst van Filips II)
- Filips van Noircarmes (1573 - 1574) (in dienst van Filips II)
- Adolf van Nieuwenaar (1584 - 1589) (alleen in Utrecht)
- Prins Maurits (1685-1625) (tot 1589 alleen in Holland en Zeeland)
- Frederik Hendrik (1625 - 1647
- Stadhouder Willem II (1747 - 1650)
- Eerste Stadhoudersloze Tijdperk (1650 - 1672)
- Stadhouder Willem III (1672 - 1702)
- Tweede Stadhoudersloze Tijdperk (1702-1747)
- Stadhouder Willem IV (1747-1751)
- Stadhouder Willem V (1751-1795), regenten: Anna van Hannover (1751-1759), Karel van Brunswijk-Wolfenbüttel (1759-1766)
Stadhouders Friesland
Vanaf 1515, toen Friesland bij het Habsburgse Nederlanden ging horen, werden er door het bestuur in Brussel stadhouders benoemd. Vanaf 1528 regeerde de Friese stadhouder ook over Overijssel en vanaf 1536 ook over Groningen en DrentheFriesland heeft lange tijd een eigen stadhouder gehad, ook toen de andere gewesten van de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden één stadhouder hadden aangenomen. Friesland heeft hierdoor geen Stadhouderloze tijdperken gekend. Vanaf stadhouder Willem IV kregen alle gewesten in de republiek dezelfde stadhouder.
Tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog kende Friesland enige tijd twee stadhouders. Eén (de naar de Spanjaarden overgelopen graaf van Rennenberg en de Spanjaard Francisco Verdugo namens koning Filips II en Willem van Oranje en Willem Lodewijk namens de Republiek.
- Floris van Egmond, graaf van Buren (1515 - 1518)
- Wilem van Roggendorff (1518 - 1521)
- Georg Schenck van Toutenburg (1521 - 1540)
- Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren (1540 - 1548)
- Jan van Ligne, graaf van Arenberg (1549 - 1568)
- Karel van Brimeu, graaf van Megen (1568 - 1572)
- Gillis van Berlaymont, heer van Hierges (1572 - 1574)
- Caspar van Robles (1574 - 1576) (volgens sommige bronnen 1572 - 1576)
- Georges van Lalaing, graaf van Rennenberg (1576 - 1581) (vanaf 1580 in dienst van Filips II)
- Francisco Verdugo (1581 - 1594) (in dienst van Filips II)
- Willem van Oranje (1580 - 1584)
- Willem Lodewijk (1584 - 1620)
- Ernst Casimir (1620 - 1632)
- Hendrik Casimir I (1632 - 1640)
- Willem Frederik (1640 - 1664)
- Hendrik Casimir II (1664 - 1696), regentes: Albertine Agnes van Oranje-Nassau, (1664 - 1673)
- Johan Willem Friso (1696 - 1711), regentes: Henriette Amalia van Anhalt, (1696 - 1707)
- Willem IV (1729-1751), regentes: Marie Louise van Hessen-Kassel, 1711 - 1729
- Willem V (1751-1795)
Stadhouders van Groningen
Tussen 1519 en 1536 viel Groningen onder de Gelderse hertog Karel van Egmond. Deze liet zich door stadhouders vervangen. Vanaf 1536 werden de gewesten Groningen en Drenthe bij de Habsburgse Nederlanden gevoegd. De stadhouder van Friesland en Overijssel, kreeg ook zeggenschap over deze gebieden.
- Cristoffel van Meurs 1519 - 1522
- Jasper van Marwijck 1522 - 1530
- Karel van Gelre 1530 - 1536
- Ludolf Coenders 1536
- Georg Schenck van Toutenburg (1536 - 1540)
- Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren (1540 - 1548)
- Jan van Ligne, graaf van Arenberg (1549 - 1568)
- Karel van Brimeu, graaf van Megen (1568 - 1572)
- Gillis van Berlaymont, heer van Hierges (1572 - 1574)
- Caspar van Robles (1574 - 1576) (volgens sommige bronnen 1572 - 1576)
- Georges van Lalaing, graaf van Rennenberg (1576 - 1581) (vanaf 1580 in dienst van Filips II)
- Francisco Verdugo (1581 - 1594) (in dienst van Filips II, vanaf 1584 werd zijn gezag alleen erkend in de stad Groningen)
- Willem Lodewijk 1584 (in de stad Groningen vanaf 1594 - 1620)
- Maurits van Nassau 1620 - 1625
- Ernst Casimir (1625 - 1632)
- Hendrik Casimir I (1632 - 1640)
- Willem Frederik (1640 - 1664)
- Hendrik Casimir II (1664 - 1696), regentes: Albertine Agnes van Oranje-Nassau, (1664 - 1673)
- Johan Willem Friso (1696 - 1711), regentes: Henriette Amalia van Anhalt, (1696 - 1707)
- Stadhouderloos tijdperk
- Willem IV (1729-1751) (vanaf 1718 erkende Groningen de regentes aangezien Willem IV nog geen 18 was)
- Willem V (1751-1795)
Stadhouders van Drenthe
De stadhouders van Drenthe zijn tot 1696 gelijk aan de stadhouders van Groningen. In 1696 werd Stadhouder Willem III van Holland erkend in plaats van Johan Willem Friso. Toen Willem III in 1702 kinderloos stief kwam Drenthe, evenals een groot deel van de Republiek, terecht in een Stadhoudersloos tijdperk. Dit eindigde in 1722 toen Drenthe de stadhouder van Friesland (Willem IV) erkende als stadhouder. Later zou Willem IV stadhouder van alle gewesten worden.
Stadhouders van Overijssel
Vanaf 1528 hoorde Overijssel bij de Habsburgse Nederlanden, nadat keizer Karel V de gebieden verkreeg van de Bisschop van Utrecht. Vanaf 1528 had Overijssel dezelfde stadhouder als Friesland. Vanaf 1584 ging Overijssel een eigen weg. De stadhouders vanaf 1584 waren:
- Adolf van Nieuwenaar 1584 - 1589
- Prins Maurits 1590 - 1625
- Frederik Hendrik 1625 - 1647
- Willem II (1647 - 1650)
- Eerste stadhouderloze tijdperk (1650 - 1675, dit duurde langer dan in Holland en Zeeland)
- Willem III 1675-1702
- Tweede stadhouderloze tijdperk 1702-1747
- Willem IV 1747-1751
- Willem V 1751-1795
Stadhouders van Gelderland
Gelderland werd in 1543 ingelijfd door Karel V. Voor die periode kende Gelderland van 1473 tot 1511 een stadhouder in dienst van de Hertog van Gelderland.
- René van Chalon (1543 - 1544)
- Filips van Lalaing, graaf van Hoogstraten (1544 - 1555)
- Filips van Montmorency, graaf Horne (1555 - 1560)
- Karel van Brimeu, graaf van Megen (1560 - 1572)
- Gillis van Berlaymont, heer van Hierges (1572 - 1577)
- Jan I de Oude van Nassau-Diez (1578 - 1581)
- Willem IV van den Bergh (1581 - 1583)






