Skiën
Skiën is zich voortbewegen over sneeuw met behulp van "planken", ski's genoemd, die aan de voeten (ski-schoenen) worden bevestigd. Oorspronkelijk waren ski's van hout, maar tegenwoordig worden ze gemaakt van glasvezel of andere composietmaterialenmaterialen.
Er bestaan diverse vormen van skiën. De volgende skisporten bestaan:
- Freestyleskiën
- buckelpisteskiën (moguls): Men moet in een zo recht mgelijke lijn tussen de moguls naar beneden skiën. In het parcours bevinden zich twee sprongen. Het klassement wordt opgemaakt op basis van de behaalde punten op de bochten, de sprongen en de snelste tijd.
- aerials: Van een skischans, de kicker, worden salto's gemaakt.
- Langlaufen: Op speciale langlaufski's moet een traject worden afgelegd. Er zijn verschillende varianten, afhankelijk van de lengte, welke stijl van lopen mag worden gebruikt en of de deelnemers tegelijk of na elkaar starten.
- Schansspringen: De deelnemers skiën van een schans af, en proberen daarbij zo ver mogelijk te springen. Naast de springafstand wordt ook door een aantal juryleden de uitvoering van de sprong beoordeeld. Er zijn twee typen schansen, de 90 meter schans en de 120 meter schans, genoemd naar de typische afstand die er gesprongen kan worden.
- Noordse combinatie: Dit is een combinatie van langlaufen en schansspringen en bevat drie onderdelen: de sprint, de individuele discipline en de teamdiscipline.
- Sprint: Op dit onderdeel moet een deelnemer eerst een sprong van de grote schans (120 meter) maken, om een dag later met zijn tegenstanders om het snelst een afstand van 7,5 kilometer langlaufend in de vrije stijl af te leggen. De leider na het springen start als eerste en zijn puntenvoorsprong wordt omgerekend in een aantal seconden. Degene die het eerst finisht, is kampioen.
- Individueel: Er moeten twee sprongen gemaakt worden van de kleine schans (90 meter), waarna de klassementsleider net als bij de sprint tijdens het langlaufen (nu 15 km) met een in seconden omgerekende voorsprong van start gaat.
- Team: Vier deelnemers per land maken twee sprongen van de kleine schans. De scores van de acht sprongen worden opgeteld en het land dat het klassement aanvoert, gaat tijdens de langlaufestafette (4x5 km) met een omgerekende voorsprong als eerste van start.
- Afdaling: Een parcours dat bergafwaarts verloopt, dient zo snel mogelijk afgelegd te worden.
- Slalom: Ook hier dient bergafwaarts geskied te worden, maar dan met een parcours met vlaggetjes, die beurtelings links- en rechtsom moeten worden gepasseerd.
- Reuzenslalom: Zit tussen de afdaling en de slalom in - langer en minder bochtig dan de slalom, korter en bochtiger dan de afdaling.
- Super G: Op dezelfde manier als de reuzenslalom tussen afdaling en slalom zit, zit de Super G tussen afdaling en reuzenslalom.
- Alpine combinatie: De deelnemers moeten zowel 1 of 2 afdalingen als 1 of 2 slaloms skiën; de tijden worden opgeteld.
- Biathlon: Een langlaufwedstrijd waarbij de deelnemers op bepaalde punten moeten geweerschieten op een doel. Wordt dat gemist, dan betekent dit tijdverlies, in de meeste varianten doordat een extra strafronde moet worden gelopen voor men op het eigenlijke parcours verder mag gaan.






