Roman
Met de term roman wordt een grote verscheidenheid aan (proza)teksten aangeduid die overwegend van fictionele aard (fictie) zijn en in omvang doorgaans het verhaal-1 en de novelle overtreffen. Het onderscheid tussen novelle en roman is echter niet altijd goed aan te geven. Harry Mulisch' ‘kleine roman’ Het zwarte licht (1956) is wat betreft omvang niet groter dan Jacob van Lenneps novelle Een schaking in de 17e eeuw (1850) en G.K. van het Reve's roman De avonden (1947) heeft als ondertitel ‘een winterverhaal’. Om zijn omvang zou men Ward Ruyslincks De ontaarde slapers (1957) een novelle kunnen noemen, maar dan wel een novelle die in 1957 de ‘romanprijs’ van de stad Antwerpen kreeg. In het Engelse taalgebied kent men dan ook alleen een tweedeling: ‘short story’ en ‘novel’.Naast de lengte als criterium worden meestal ook inhoudelijke argumenten genoemd om tot een onderscheid te komen. Zo zou de roman breder van opzet zijn en de personages in een bepaalde ontwikkeling tonen, terwijl de novelle slechts één (beperkt) conflict uitwerkt. In de roman zou de intrige (plot) als gevolg daarvan gecompliceerder zijn, d.w.z. samengesteld uit hoofd- en nevenintriges. De novelle zou daarentegen een enkelvoudige structuur kennen. Voorts zou de roman een groter aantal personages, een bredere milieuschildering en een groter tijdsbestek omvatten dan de novelle. Bovendien zou de karaktertekening in de roman uitvoeriger zijn dan in de novelle (bijv. round characters). In de praktijk blijkt dat al deze eigenschappen noch alleen voorbehouden zijn aan de roman, noch aan de novelle of het verhaal. James Joyce's roman Ulysses (1922) omvat bijv. slechts een tijdspanne van 24 uur en in Jeroen Brouwers' Zonsopgangen boven zee (1977) is niet alleen de tijd zeer beperkt, maar ook het aantal personages. Soortgelijke tegenvoorbeelden zijn te geven voor de karaktertekening, de milieuschildering en de intrige.
De prozavorm is al evenmin een eigenschap die altijd aan het genre verbonden is geweest. De term ‘roman’ is oorspronkelijk afkomstig van het Romaanse ‘romanice’ (verhaal in de volkstaal), dat in het middeleeuwse romance is overgenomen. De middeleeuwse romancen geven berijmde verhalen in de volkstaal en dat geldt ook voor de middeleeuwse ridderroman (Karelroman, hoofse roman, Brits-Keltische roman etc.) en de dierenfabel (bijv. Le roman de Renart) die behoren tot de berijmde epiek.
Een al wat moderner type roman ontstaat in de 16e eeuw wanneer de middeleeuwse epiek verschijnt in prozaromans en volksboeken. Maar ook worden nu grotere originele prozawerken geschreven: Rabelais' Gargantua et Pantagruel is van 1537 en in 1605 verschijnt Cervantes' Don Quijote. De 17e eeuw bracht in navolging van de Spaanse picareske roman de schelmenroman (bijv. Daniël Heinsius' Den vermakelyken avanturier, 1695), een genre dat ook lang daarna nog voorbeelden opleverde ( Mark Twains Huckleberry Finn, 1884; Jan Cremers Ik Jan Cremer, 1964).
In de loop van de 18e eeuw begint een romanproductie op gang te komen die nog duidelijker aansluiting vertoont bij de thans gebruikelijke omschrijvingen van het genre ( Voltaire, Diderot, Defoe, Richardson e.v.a.). Bovendien breidt het genre zich uit, zodat behoefte ontstaat aan een nadere precisering in subgenres. Een onderverdeling van het genre roman geschiedt in de praktijk op twee gronden: differentiatie op inhoudelijke eigenschappen en op de vormgeving. Een betrekkelijk nieuw genre vormt in die tijd de briefroman, die in navolging van Richardsons Pamela or virtue rewarded (1740) een grote populariteit verwerft. In feite gaat het bij dit type om de vormgeving. De briefroman kan gezien worden vanuit het perspectief als een ik-roman met soms meer dan één ik-verteller wanneer er meer dan één briefschrijver is. Ook de dagboekroman is door de ik-vorm bepaald. Inhoudelijk bepaald daarentegen zijn de gothic novel en de historische roman. Beide subgenres kunnen in verschillende vertelvormen gepresenteerd worden en zijn dat in de praktijk ook, al overheerst het auctoriaal vertellen. Andere inhoudelijk bepaalde subgenres zijn o.m. de Bildungsroman, de avonturenroman, de detectiveroman, de familieroman, de streekroman (streekliteratuur), de sociale roman (sociale literatuur), de zedenroman, de reportageroman en de roman fleuve.
Niet alleen de romanstructuur is bepalend voor de vormgeving, soms is dat ook de publicatiewijze, zoals bij de feuilletonroman.
In de loop van de 19e eeuw is een duidelijke verschuiving te constateren van de auctoriale vertelwijze, karakteristiek voor de historische roman (men denke aan A.L.G. Bosboom-Toussaint) en voor het realistisch proza (zoals dat van Hildebrand), naar de personale vertelwijze zoals toegepast in het naturalistisch proza.
In de 20e eeuw wordt in toenemende mate met de vertelvorm geëxperimenteerd, bijv. door het bewust loslaten van de chronologie of door verschillende perspectieven naast of door elkaar te gebruiken. In het experimenteel proza (nouveau roman) worden bijv. collagetechnieken en verspringing van het perspectief toegepast, o.m. om een vervreemdingseffect te bewerkstelligen. Men spreekt in dit verband daarom wel van antiroman.
Het onderzoek naar de vertelwijze in romans wordt romananalyse genoemd, maar omdat de vertelprocédés niet uitsluitend van toepassing zijn op de roman, is het beter om te spreken van verteltheorie of narratologie.






