Realisme
Omtrent het Realisme, zowel in de schilder- als in de beeldhouwkunst, lopen de meningen nogal uiteen. Interpretaties omtrent inhoud en/of tijdspreiding zijn vaak te eng of anders te vaag.Barbizon in Frankrijk was alleszins een geruchtmakende, d.w.z. een academisch niet aanvaarde, vernieuwing. Théodore Rousseau, Jean François Millet, Charles François Daubigny en Jules Dupré werden voor "Onverschoonde Democraten" uitgescholden. Naar het voorbeeld van de Engelsen John Constable en John Crome gingen ze, vanaf 1832, "en plein air" schilderen, buiten, direct in de natuur, om bomen, planten, dieren en bevolking zo natuurgetrouw mogelijk te kunnen weergeven.
De Belgische Barbizonisten vond men in de School van Tervuren van Hippolyte Boulenger, terwijl even later de Haagse School van Jozef Isräels en de Larense School van Albert Neuhuys het Nederlandse equivalent vormden.
Andere essayisten wijden dan weer hun beschouwingen aan het Sociaal Realisme, dat zich ongeveer exclusief richt op de sociaal menselijke toestanden als arbeid, ziekte, ellende of geluk. Constantin Meunier, Pierre Paulus en Eugène Van Mieghem zijn hiervoor Belgische voorbeelden, maar bij hen is de omschrijving heel wat moeilijker af te bakenen.
Realisme als filosofische/theologische stroming
Het realisme is ook een filosofische/theologische stroming, zowel uit de klassieke tijd (Grieken) als wel uit de Middeleeuwen. Deze stroming acht de algemene begrippen (universalia) van meer belang dan de individuele verschijningsvormen. Deze stroming stond tegenover het nominalisme. Belangrijke representant was Thomas van Aquino. In de filosofie situeert men de wortels van dit verschil van mening, ook wel universaliënstrijd genoemd, op het verschil in inzicht tussen Plato en Aristoteles.
In de Nieuwe tijd wordt deze manier van denken Idealisme genoemd.
"Realisme" in de nieuwe tijd betekent dus ongeveer zo'n beetje het tegenovergestelde van wat het vroeger betekende. Het is deze betekenisverandering die het verschil in denken tussen de middeleeuwer en de moderne mens typeert. Waar men vroeger uitging van de realiteit van de algemene begrippen (die het denken beheersten en die bij Plato zelfs een afzonderlijk bestaan "in de hemelen" leidden) betekent "realisme" heden ten dage dat men ervan uitgaat dat er een werkelijke wereld bestaat die niet door het denken wordt voortgebracht en die daarvan onafhankelijk is.
Ergens halverwege dit proces van betekenisverandering definieerde Kant de realist als iemand die met het begrip het "ding an sich" trachtte te duiden.






