Post-impressionisme
Als Post-Impressionisme bedoelt men vooral de Franse bewegingen waarop, na 1886, het bekende Impressionisme uitliep. Het Pointillisme of Divisionisme van Georges Seurat en van Alfred Sisley was wel de meest merkwaardige en meest bediscussieerde uitloper ervan. De School van Pont Aven met Paul Gauguin en Emile Bernard bracht omstreeks dezelfde tijd het Cloisonnisme in praktijk, terwijl de Nabis, met Paul Sérusier vooral als theoreticus, uitsluitend "de idee" wilden symboliseren, na 1888. Zelfs na 1905 wordt het tachisme van Les Fauves, met Henri Matisse en Maurice Vlaminck herkend als late erfgenaam van het divisionisme.Bij de Belgische Luministen, met oa. Emile Claus, Theo Van Rysselberghe, Georges Lemmen, James Ensor, Willy Finch, Willy Schlobach, Adrien Joseph Heymans, Franz Courtens, de School van Tervuren of de School van Kalmthout, heeft men het eerder over Neo-Impressionisme. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse Haagse School met oa. Jozef Israëls en de gebroeders Maris, de Larense School met Albert Neuhuys of De Amsterdamse Impressionisten met George Hendrik Breitner.
Al dekken beide termen ongeveer dezelfde lading, toch kan men post-impressionisme interpreteren als bestemd voor enkele NA-impressionistische bewegingen, na deze van 1874-1886, in Frankrijk, terwijl het in België, Nederland, Duitsland en de Scandinavische gebieden met de neo-impressionistische sympathieën eerder gaat over LAAT-impressionisme.






