Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Het ministerie van VROM is het Nederlandse ministerie voor volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer. Ook heeft het ministerie de rijkshuisvesting als taak. Momenteel (in 2003) werken zo'n vierduizend medewerkers van VROM. Zij maken vooral nota's, waarin de hoofdlijnen van het beleid worden neergelegd. Op basis hiervan worden wetten en regels gemaakt. Het beleid van VROM komt tot stand in samenspraak met andere partijen, zoals gemeentenn en provincies, maatschappelijke organisaties en bedrijven.
| Table of contents |
|
|
Geschiedenis
Het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ontstond in 1982. Toen werd het beleidsterrein milieubeheer toegevoegd aan de volkshuisvesting en de ruimtelijke ordening. Het beheer van de rijksgebouwen is van oudsher een taak van het ministerie, het kadaster is van 1973 tot 1994 onderdeel van het ministerie geweest. De geschiedenis van het ministerie gaat natuurlijk veel verder terug. In 1901 zagen twee belangrijke wetten het licht: de Gezondheidswet en de Woningwet. De ministeries van Sociale Zaken en Binnenlandse Zaken zorgden decennialang voor de uitvoering van deze wetten.
Negentiende eeuw
Nederland is momenteel een regelland. Alles wat met wonen, de ruimte en het milieu te maken heeft, is sterk gereguleerd. Dat was in het begin van de negentiende eeuw wel anders. Toen woonden in Nederland slechts twee miljoen mensen, was het land vooral leeg, woest, onbewoonbaar en waren de wegen of wat daarvoor doorging vaak onbegaanbaar. De bemoeienis van de nationale overheid beperkte zich tot enkele dijkvakken, de belangrijkste wegen, de droogmaking van enkele meren en een klein stuk spoorweg. Van ruimtelijke ordening was eigenlijk geen sprake. In de loop van de negentiende eeuw nam de bevolking in omvang toe, kwam er land beschikbaar door de droogmakerijen en industrialiseerde Nederland stap voor stap.
Gezondheidswet en Woningwet 1901
Veel mensen woonden onder erbarmelijke omstandigheden: de arbeiderswoningen waren klein, de sanitaire voorzieningen slecht en het leven onder de rook van de fabriek ongezond. De staat voelde zich niet geroepen sociaal beleid te maken, maar er kwamen wel wetten die de ergste misstanden moesten uitbannen. Het kabinet-Pierson heeft in 1901 met de Gezondheidswet en de Woningwet de basis gelegd voor verbetering van de toestanden op het gebied van de volksgezondheid en de volkshuisvesting. Er kwam een Staatstoezicht op de Volksgezondheid; daaronder ressorteerden ook inspecteurs van de volkshuisvesting. Doel van de Woningwet was bewoning van slechte woningen onmogelijk maken en de bouw van goede woningen bevorderen. Dit gebeurde onder andere door woningcorporaties voorschotten te verstrekken voor de bouw van volkswoningen, beter bekend als woningwetwoningen. Dit markeert de overgang naar de tijd van overheidsbemoeienis met de woningbouw. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog telde Nederland maar liefst één miljoen woningwetwoningen.
De Woningwet van 1901 bevatte ook enige regels voor de stedenbouwkundige ontwikkeling. Gemeenten moesten uitbreidings- en bestemmingsplannen opstellen en om de tien jaar herzien. Voortschrijdend inzicht leidde zowel in 1921 als in 1931 tot wijziging van de Woningwet. In deze periode deed het fenomeen streekplan zijn intrede en in de tweede helft van de jaren dertig gingen stemmen op om een nationaal stedenbouwkundig plan te maken. Op 10 mei 1940 bracht een staatscommissie haar eindverslag uit, met een ontwerp voor een nieuwe woningwet. Daarin werd volkshuisvesting beschouwd als afgeleide van de stedenbouw, in de zin van ruimtelijke ordening.
Door de verwoestingen van de Duitse inval in mei 1940 was herstel van wegen en wederopbouw van gebouwen nodig. Hiervoor ging een Wederopbouwdienst aan de slag. In 1941 kwam ook de Rijksdienst voor het Nationale Plan tot stand. Daarin kwamen het werk van de bovengenoemde staatscommissie tot uitdrukking. Deze Rijksdienst werd belast met de zorg voor de ruimtelijke ordening van de nationale belangen, het toezicht op de streek- en gemeentelijke belangen en het onderzoek dat als basis voor deze ordening zou dienen. Het verzamelen van onderzoeksgegevens heeft zoveel tijd gevergd dat van nationale planning niet veel terecht kwam.
Mede door een veranderende visie op de stad - er trad een verschuiving op van de nadruk op wonen voor mensen met lage inkomens naar de aanpak van structurele werkgelegenheidsproblemen en de milieuhinder - kan de conclusie worden getrokken dat de problemen in de stadsvernieuwingsgebieden nog steeds niet waren opgelost.
Milieu stond als beleidsterrein aanvankelijk niet sterk. Het ondervond sterke concurrentie van de andere onderdelen van VROM. Maar door de krachtige impulsen van minister Pieter Winsemius kwam het in de schijnwerpers terecht en werd het een maatschappelijk issue. Hij werd daarbij geholpen door de milieubeweging. De milieuminister legde de nadruk op handhaving en de individuele verantwoordelijkheid: anderen moesten het eigenlijk doen. Hij bouwde zijn beleid op lange-termijnperspectief en haalbare doelstellingen. Bovendien legde hij veel internationale contacten. Deze activiteiten mondden in 1989 uit in het eerste Nationaal Milieubeleidsplan (NMP), een interdepartementaal antwoord op de milieuproblemen van Nederland. Ze kregen ook vorm in grootscheepse publiciteitscampagnes: over zure regen bijvoorbeeld en in de jaren negentig 'Een beter milieu begint bij jezelf'.
Opbouw van het ministerie
De geschiedenis van VROM begint pas echt na de Tweede Wereldoorlog. Op 23 juni 1945 werd het ministerie van Openbare Werken opgericht. Het nieuwe ministerie was een bundeling van taken die voordien bij andere ministeries waren ondergebracht. De naam werd binnen enkele maanden omgevormd tot ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw. Dit bleef zo tot 1947. Toen de directie van de Waterstaat toegevoegd werd aan het ministerie van Verkeer dekte de nieuwe naam ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting de lading beter.
Het ministerie pakte de wederopbouw en de volkshuisvesting van Nederland planmatig en sterk centraal gestuurd aan. Dat was nodig, omdat de woningnood zeer hoog was en het land in 'deplorabele' toestand verkeerde. De regering zette alles op alles om de woningnood, volksvijand nr.1, te verslaan. Om te symboliseren dat de wederopbouw voorspoedig verliep en de problemen langzaamaan werden overwonnen, werd de naam van het ministerie in 1956 veranderd in Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. In 1962 werd de éénmiljoenste naoorlogse woning afgeleverd, maar gezien de toenemende woningbehoefte was dit aantal bij lange na niet genoeg.
De woningbouw en de wederopbouw slurpten zoveel energie dat nationale ruimtelijke ordening als thema nauwelijks in de belangstelling stond. Dit veranderde pas eind jaren vijftig. In 1960 verscheen de eerste nota Ruimtelijke Ordening. Vijf jaar later werd de Rijksdienst voor het Nationale Plan omgedoopt in de Rijksplanologische Dienst. Het zou tot 1965 duren voordat de naam van het ministerie werd gewijzigd in Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). Deze naam zou tot 1982 standhouden.Stadsvernieuwing
Het ministerie van VRO was een eilandenrijk. De beleidsvorming en -uitvoering op de terreinen volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en de rijkshuisvesting was strikt gescheiden georganiseerd. Elke poot van het ministerie had zijn eigen overleg- en adviesorganen en zijn eigen lijntje naar de minister. De verkokering van het ministerie werd ook nog eens bevorderd door de gescheiden huisvesting. De nieuwe thema's die rond 1970 opkwamen, zoals stadsvernieuwing en groeikernen, veranderden daaraan niet veel. Er ontstonden gaandeweg wel ministerie-brede overlegstructuren, zoals een Ambtelijke Staf en een Bewindsliedenstaf.
Niettemin is er in de jaren zeventig en tachtig veel kracht uitgegaan van de beleidsthema's. Niet in de laatste plaats door de gedecentraliseerde werkwijze: gemeenten en provincies kregen een grote rol in beleid en uitvoering. De stadsvernieuwing heeft onder andere geresulteerd in het behoud van levende historische binnensteden.Milieu als issue
De belangrijkste organisatorische verandering van het ministerie was de komst van het Directoraat-Generaal Milieuhygiëne in 1982. De naam van het ministerie werd veranderd in Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). De personeelsomvang van de rijksoverheid kromp in, die van Milieubeheer daarentegen groeide tegen alle verdrukking in.Parlementaire Enquête
De Parlementaire Enquête Bouwsubsidies van 1987-1988 toonde aan dat er grote tekortkomingen waren in de financiële administratie van het ministerie. Vooral de controle op de uitvoering en toepassing van subsidieregelingen op huisvestingsgebied was ernstig tekort geschoten. Sindsdien heeft bedrijfsvoering een hoge prioriteit bij VROM. Het heeft vorm gekregen in integraal management.Nieuw hoofdkantoor
In 1992 betrok VROM het nieuwe hoofdkantoor naast het Centraal Station in Den Haag.
Bewindslieden
Ministers
Staatssecretarissen
Bron
Deze tekst is een bewerking van diverse onderdelen van de website van het Ministerie van VROM, waar wellicht een recentere versies beschikbaar zijn.






