Friezen
Het woongebied van het Friese volk strekte zich rond het begin van de jaartelling uit langs de kuststrook van het tegenwoordige Vlaanderen, via Nederland (de Zuiderzee bestond nog niet), Duitsland, tot aan Denemarken.Dit gebied werd gekenmerkt door de constante strijd tegen het water, enerzijds de zee, anderzijds veenmoerasgebieden.
Men maakte heuvels van aarde en mest als toevluchtsoord voor momenten van hoogwater waarop de huizen (boerderijen) werden gebouwd. Deze werden terpen of wierdenen genoemd. Dit vindt men tegenwoordig terug in de vele plaatsnamen die op wert, werd, ward of warden eindigen, zoals Ljouwert.
Deze terpen werden in de loop der eeuwen steeds hoger gemaakt en soms onderling verbonden, waardoor dijken) ontstonden.
In het noord-Duitse Halligen-gebied worden ze Warften genoemd.
De naam Friezen betekent kapsel of haar. Dit is terug te vinden in het Duitse woord Frisur.
Het is afkomstig uit een Romeins geschrift waarin de Friezen voor het eerst werden beschreven. De Friezen hebben mogelijk wel handel gedreven met de Romeinen, maar zijn niet bezet geweest door hen: het (over-)leven in die moerassige delta was de Romeinen te oneigen.






