Boethius
Boethius (ca. 480-525) was een Romeins filosoof, schrijver en politicus.Boethius was een zeer ontwikkeld man, zeker voor de moeilijke tijden waarin hij leefde. Hij stamde uit een oud Romeins geslacht de Anicii. Jong wees geworden, werd hij opgevoed door Q. Aurelius Memmius Symmachus, een rijke christelijke erfgenaam uit een vooraanstaand heidens geslacht, wiens dochter Rusticiana hij later huwde. Hij had een goede kennis van het Grieks en heeft wellicht in het oosten gestudeerd. Hij was bezig aan een complete vertaling van Plato en Aristoteles, maar zijn vroegtijdige dood maakte daar een eind aan. Als neoplatoons filosoof en aanhanger van de Ariaanse kerk was hij bij de Katholieken niet erg geliefd.
In 510 werd Boethius consul, hoewel die titel weinig meer inhield. Onder Theodorik de Grote was hij magister officiorum en diende hem trouw. Toen de koning echter in een geschil met de Byzantijnse keizer geraakte werd Boethius verdacht van ontrouw, in het gevang gegooid en terechtgesteld. Zijn schoonvader Symmachus werd kort daarna terechtgesteld.
Zijn Vertroosting der Filosofie is waarschijnlijk geschreven in het gevang in afwachting van zijn oordeel. Dit boek zou een groot stempel drukken op het middeleeuwse denken met begrippen als het Fortuin en de Voorzienigheid. Van het laatste legt hij uit dat het niet hetzelfde is als predestinatie.






